MET LICHTE TRED

Teruggetrokken op het Franse platteland woont Ton Lemaire, anthropoloog en filosoof. Daar heeft hij de ruimte en de rust en de natuur om zich heen. Daar denkt hij na en schrijft zijn boeken en oogst groenten in zijn tuin. En hij wandelt. Dit laatste neem ik aan, want hij schrijft er over.
Zijn laatste boek dat is verschenen in 2019 is ‘Met lichte tred’. In dit boek kijkt hij van allerlei kanten naar het wandelen. Hij is zelfs van mening dat een beschouwing over het wandelen kan leiden tot beschouwingen over onze maatschappij. Zo gaan we wandelend de wereld in.

Lemaire neemt de wandelaar en de lezer mee in een tocht door de geschiedenis van het wandelen. Hij gaat rond in naburige landen om te zien hoe daar de wandeling leven werd ingeblazen, in gebieden rond Parijs, maar ook hoe de wandeling in Nederland voet aan de grond kreeg, mede door de landschapsschilders die er op uittrokken. In Nederland kwam de eerste gemarkeerde route er in 1914 (welke route dat was staat er helaas niet bij). Vervolgens wordt er geconcentreerd aandacht besteed aan schrijvers en filosofen en schilders in met name Duitsland en Frankrijk. Namen van Flaubert en J.-J. Rousseau, Goethe en C.D. Friedrich komen voorbij. Maar ook het Verenigd Koninkrijk ontgaat zijn oog en pen niet. De British Alpine Club die in 1851 werd opgericht; dichters als Wordsworth en Coleridge die al wandelend inspiratie opdeden, ook om te dichten over het wandelen zelf. Het Lake District in het noorden van Engeland was een plek waar het wandelen tot bloei kwam, juist ook op dichterlijke wijze. Ook in Noord-Amerika kwam aandacht voor wandelen en de natuur, denk aan iemand als Henry David Thoureau.
De bredere kijk op het wandelen, met een blik op de bredere maatschappij en cultuur komt aan de orde wanneer Lemaire schrijft over de rol van de Muze, een bekend halfgoddelijk verschijnsel in de klassieke oudheid. Deze Muzen bliezen de inspiratio in. In Duitsland komt een stroming vann hermythologisering op gang. Hier komen de Germaanse mythen weer tot leven. In de muziek is het te horen bij Richard Wagner (ook buiten Duitsland zien we deze hermythologisering, bijvoorbeeld bij de Finse componist Sibelius). Hier ligt een verband tussen de wandelaars en wat zij (her)ontdekten in hun eigen omgeving en cultuur. Veel aandacht geeft Lemaire aan de Duitse wandelaar en filosoof Nietzsche. Hij maakte vele tochten en verklaart dat hij de aarde trouw wil blijven. Daar heeft hij geen god bij nodig. Hij verklaart god dan ook dood. Lemaire sluit zich hier bij aan en schrijft dat wij genoopt zijn “tot de herontdekking van de aarde als de onopgeefbare horizon van ons menselijk bestaan.” (pagina 90) Op de volgende pagina schrijft hij over de aarde “als onze dragende grond.” We moeten het volgens Lemaire doen met wat wij hier voorhanden hebben, wandelaars en niet-wandelaars. Mensen die zorg dragen voor deze aarde en zij die dat niet doen.
Lemaire kijkt verder dan West-Europa. Ik noemde al Thoureau in Noord-Amerika, hij komt terug op dit continent wanneer hij beschrijft hoe Indianen werden behandeld en verdreven werden van hun gronden waardoor er lange voettochten moesten worden ondernomen. Maar ook de oude culturen van de Inca en de Perzen komen aan bod, waar we kunnen zien hoe zij, en later ook de Romeinen, verharde wegen aanlegden (geen zandpadgarantie!). Een wandelaar loopt niet in het luchtledige, maar in steden en het liefst in het landschap buiten de steden. Daarom gaat Lemaire terug in de tijd. Hij gaat terug naar de Hof van Eden en naar het latere Arcadië, hij slentert door de Engelse tuin en de Franse tuin. Ook tuinen in Perzië en China en Japan komen langs op zijn wandelingen. De zentuin heeft iets ‘protestants, want die tuin is ‘streng en koel’ (spreekt hier de voormalige rooms-katholiek? pagina 140)

Lemair heeft een afkeer van de stad (hij woont ook op het Franse platteland, dat steeds leger wordt door de urbanisatie), gelukkig schrijft hij wel over wandelen in de stad, over slenteren en flaneren. In verband met pelgrimages spreekt hij over het verval van het katholicisme (hij zal dat wel zeggen met het oog op West-Europa want op vele andere plaatsen in de wereld bloeit dit kerkgenootschap). Hij schrijft over heilige plaatsen waar pelgrims naar toe trekken, en tegenwoordig ook toeristen (zie de toestroom naar Santiago de Compostella). Na de pelgrims en de toeristen komt Lemaire terecht bij de vluchtelingen, waarbij hij teruggrijpt op de bijbelse gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. (God is dood, dacht ik, maar de Barmhartige Samaritaan leeft nog.).

Het gebied van de Himalaya krijgt van Lemaire bijzondere aandacht in een aantal verhalen van lange voettochten en ontdekkingen door buitenstaanders. Hij schrijft over de bedreigde voetganger, bedreigd, door de dominantie van de auto en de techniek. Wat het lichaam van de wandelaar (en alle andere lichamen) betreft. Dit moet bevrijd worden “bevrijd van de last van de christelijke erfenis die eeuwen op ons heeft gedrukt en die lichaam en lichamelijkheid had belast met schuldgevoelens en verdachtmakingen.” Dit is een zeer algemene last die op de gehele christelijke erfenis wordt gelegd. Een paar bladzijden later worden het platoonse en christelijke mensbeeld naast elkaar gelegd, “waarbij het lichaam een soort gevangenis zou zijn”. Het christelijke belijden dat teruggaat tot de Oude Kerk spreekt tot op de dag van vandaag van een “wederopstanding van het lichaam” wordt gemakshalve vergeten (of is niet bekend bij de schrijver).`Op pagina 211 komt de levenskunst in combinatie met het wandelen aan de orde. Ook hier is het christendom weer een probleem “nadat het christendom de menselijke bestemming buiten en boven deze wereld had geplaatst.” Ook hier weer een zeer algemene opmerking, terwijl in de bijbel aan het eind der tijden de hemelse stad Jeruzalem (waar Lemaire eerder aan refereerde) neerdaalt op de nieuwe/vernieuwde aarde aan de orde. Dan laat ik nog even liggen al die voorschriften in de bijbel over goed omgaan met wat God heeft gegeven. Ik krijg de indruk dat Lemaire kiest voor een combinatie van Nietzsche (de aarde als horizon) en het boeddhisme (verinnerlijking), om zo wandelend door het leven te gaan.

Ton Lemaire heeft een helder geschreven boek het licht doen zien. Een boek dat roept tot nadenken over de wereld waarin wij zitten en wandelen en rijden en fietsen en daarmee maakt hij waar wat hij in zijn Voorwoord schreef. Wandelen kan een goede toegang bieden “tot velerlei aspecten van onze samenleving en zelfs kan uitmonden in een diagnose van de moderniteit.” (pagina 9)

Ton Lemaire
Met lichte tred.
De wereld van de wandelaar
uitgeverij AMBO / ANTHOS
ISBN 9789026347870

Dit boek heb ik ontvangen van de uitgeverij voor een recensie op deze wandelwebsite.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.